Salamanders

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size
mp3 download for android https://play.google.com/store/apps/details?id=com.fy.mp3download https://play.google.com/store/apps/details?id=com.fy.musicdownload descargar mp3 https://play.google.com/store/apps/details?id=com.ff.mp3download https://play.google.com/store/apps/details?id=com.ff.musicdownload descargar mp3 https://play.google.com/store/apps/details?id=com.fz.mp3download https://play.google.com/store/apps/details?id=com.fz.musicdownload descargar mp3 https://play.google.com/store/apps/details?id=com.fi.mp3download https://play.google.com/store/apps/details?id=com.fi.musicdownload descargar mp3 https://play.google.com/store/apps/details?id=com.fs.mp3download https://play.google.com/store/apps/details?id=com.fs.musicdownload descargar mp3

Huisvesting voor salamanders

Uitgave:
Salamander Vereniging
Drs. Sergé Bogaerts & Tonnie Woeltjes (IPC-Barneveld),
met bijdragen van de leden van de Salamander Vereniging en de A.G. Urodela van de Deutsche Gesellschaft für Herpetologie und Terrarienkunde
This e-mail address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it

Doel

De hier gepresenteerde criteria voor het houden van salamanders en wormsalamanders hebben als doel om eenieder die deze dieren houdt of die het houden van deze dieren moet beoordelen een handleiding te geven waarin de meest essentiële functionele eisen voor deze diergroepen op een rij zijn gezet.

Deze criterialijst is geen afgerond geheel. Het is een momentopname en zal de komende jaren regelmatig aangepast moeten worden. 

Algemene inleiding

Salamanders zijn grofweg op te delen in landsalamanders en watersalamanders. Watersalamanders brengen ongeveer de helft of meer van het jaar in het water door. Dezedieren hebben vaak een zijdelings afgeplatte staart. Landsalamanders komen nooit of slechts zelden in het water en hebben meestal een enigszins ronde staart. Over wormsalamanders (Gymnophiona) is in het algemeen heel erg weinig bekend; ze worden daarom slechts summier behandeld. Terrariumhouders kunnen in het vergaren van kennis over deze dieren nog een belangrijke rol vervullen.

Salamanders komen voor in Europa, Azië, Noord-Afrika, Noord-, Midden-, en Zuid-Amerika. Australië is salamandervrij. Ze komen voor in zowel gematigde, mediterrane als tropische gebieden.

Van veel soorten is goed bekend hoe ze gehouden moeten worden maar van andere soorten, met name uit Midden- en Zuid-Amerika, is nog maar weinig meer bekend dan dat ze bestaan. De wijze van houden en kweken staat voor deze soorten, maar ook voor bijvoorbeeld wormsalamanders, nog in de kinderschoenen; de houders kunnen nog veel bijdragen aan het onderzoek naar de leefwijze van deze soorten. Jaarlijks worden er nog nieuwe soorten ontdekt waaraan ecologisch onderzoek kan worden verricht.

Een groot aantal salamandersoorten laat zich op eenvoudige wijze houden en kweken. Soorten als Ambystoma mexicanum, maar ook Triturussoorten, zijn geliefde laboratoriumdieren. Er wordt in dit verband gezocht naar mogelijkheden om salamanders in eenvoudigere, sterielere onderkomens te houden. Hierbij worden dan slechts de condities van de biotoop nagebootst (schuilplaatsen, luchtvochtigheid, temperatuur etc.) met kunstmatige materialen als schuimrubber. Er wordt dan geen gebruik meer gemaakt van natuurlijke materialen (bosbodem, klei, planten, schors, mos e.d.). Over het houden van salamanders onder dergelijke omstandigheden is op dit moment te weinig bekend. In deze criterialijst wordt daarom bij de inrichting van het terrarium vooral uitgegaan van natuurlijke materialen, maar ervaringen zullen uitwijzen dat er meerdere mogelijkheden zijn.

Handleiding

Deze lijst met criteria voor het houden van salamanders is samengesteld op een korte en bondige wijze. Per soortgroep of groep van soorten worden minimale eisen beschreven waaraan de ruimte voor huisvesting, het klimaat, de inrichting, het gedrag van de dieren en het voedsel moeten voldoen. Apart wordt in grote lijnen advies gegeven voor de wijze van vervoeren. Gepoogd is zoveel mogelijk uitgebreide beschrijvingen achterwege te laten door eerst een algemene uitleg te geven en vervolgens met codes hiernaar te verwijzen. Zoveel mogelijk is de informatie gegeven op niveau van de taxonomische genera. Soms is zelfs op soortniveau informatie verstrekt. Door deze werkwijze vallen natuurlijk de nuanceringen weg. Die nuanceringen zijn voor het kweken van salamanders erg belangrijk. Van een serieuze liefhebbermag echter verwacht worden dat hij zich voor de aanschaf van zijn dieren heeft verdiept in de specifieke eisen die deze bepaalde diersoort aan het houden ervan stelt. Kweken wordt hier niet behandeld. Bovendien zijn er op soortniveau natuurlijk ook verschillen in de eisen, zelfs tussen ondersoorten kunnen grote verschillen bestaan.

Huisvesting: ruimte (H)

Hier is aangegeven de gemiddelde grootte van het aquarium, terrarium of aqua-terrarium. Deze bakken kunnen van glas, plastic of andere materialen gemaakt zijn. Gegeven zijn de bodemoppervlaktes per paar te houden dieren in m². De hoogte is voor salamanders minder relevant. Als standaardhoogte is 20 tot 30 cm aan te bevelen. Bij ruimtes groter dan 0,5 m² zijn ook grotere hoogtes gewenst.

Te onderscheiden oppervlaktes zijn:

H1 : tot 0,1 m² (ongeveer 40x20 cm).
H2 : 0,1 tot 0,2 m² (ongeveer 60x30 cm).
H3 : 0,2 tot 0,3 m² (ongeveer 70x40 cm).
H4 : 0,3 tot 0,5 m² (ongeveer 100x40 cm).
H5 : 0,5 m² en groter.

Bij onzekerheid kan ook altijd de volgende vuistregel worden gebruikt (per paar dieren), die ook gebruikt is voor de bepaling van de grootte van de oppervlaktes per soortgroep. Totale lengte van het dier (T) in centimeters x 0,01 = grondoppervlakte in m². Per extra dier kan dit met 1,25 worden vermenigvuldigd. Een tweetal salamanders van ongeveer 10 cm heeft dan een oppervlakte nodig van 0,1 m².

Zeer belangrijk om te vermelden is dat voor volwassen dieren in een rustperiode of in geval van zieke dieren of dieren in quarantaine kleinere oppervlakten gebruikt kunnen worden.Klimaat (K) In het algemeen geldt dat het temperatuurverloop in het terrarium of aquarium zoveel mogelijk het jaarritme moet volgen van het klimaatgebied waar de dieren van oorsprong vandaan komen.

Veel belangrijke levensfases van salamanders (zoals eiafzet, overwintering e.d.) worden bepaald door de veranderingen in klimatologische omstandigheden waarbij licht, temperatuur en luchtvochtigheid zeer bepalend zijn. Hieronder is aangegeven per verschillend type klimaat welke temperaturen, klimatologische veranderingen (seizoenswisseling) en vochtigheid van de lucht er grofweg aangehouden moeten worden. Luchtvochtigheid is een lastig punt. Een hoge luchtvochtigheid mag nooit leiden tot bedomptheid. Luchtverversing is in alle situaties belangrijk.

Licht is van belang als het gaat om het verloop van de daglengte. Intensiteit en type licht kan voor sommige soorten van belang zijn, maar hierover is weinig bekend. Directe zonne-instraling moet zoveel mogelijk vermeden worden (oververhitting!).

Grofweg zijn de klimaatomstandigheden in 6 categorieën onder te verdelen:

K1 gematigd klimaat; gekenmerkt door koude winters en voortplanting in het voorjaar, zomers niet warmer dan 20°C. Meestal een winterrust. Winterrust kan geschieden door de dieren of het terrarium/aquarium te verplaatsen naar een vorstvrije ruimte waar temperaturen tussen 0-8°C heersen, bijvoorbeeld een kelder, slaapkamer of koelkast.

K2 mediterraan klimaat; gekenmerkt door natte winters, voortplanting in herfst en winter, droge zomers warmer dan 25°C (echter in terrarium nooit boven 25°C laten komen!). Meestal een zomerrust. Zomerrust (aestivatie) houdt in dat er nauwelijks activiteit meer is gedurende de zomermaanden. De dieren worden dan bij temperaturen tussen 20-25°C gehouden in een landterrarium (meestal type T1 of T2).

K3 subtropisch of tropisch klimaat; de dieren kan men het beste houden bij kamertemperatuur, met lichte verwarming tot 25°C.

K4 hooggebergteklimaat; deze dieren dienen eigenlijk in een koelkast gehouden te worden. Bij temperaturen boven 20°C treedt stress op. Succesvol houden van deze soorten in aangepaste koelkasten (bijvoorbeeld door een glazen voordeur) is goed mogelijk. Luchtvochtigheid mag niet te laag zijn.

K5 grottenklimaat; een klimaat dat zich kenmerkt door een constante temperatuur en luchtvochtigheid het hele jaar door. De temperatuur ligt meestal rond de 12-15°C bij een hoge luchtvochtigheid. Dit soort omstandigheden is moeilijk te realiseren binnenshuis, en het houden van deze soorten dient alleen door specialisten te geschieden.
Over het algemeen geldt dat soorten waarvoor de klimaatomstandigheden aangeduid zijn met K4 of K5, door hun specifieke levenswijze moeilijk of slechts door specialisten te houden zijn.

 

Inrichting (A, T & AT)

Onder dit kopje worden het type ruimte en de randvoorwaarden wat betreft de inrichting besproken. Er zijn hierbij grofweg drie typen te onderscheiden: aquarium (A), terrarium (T) en aqua-terrarium (AT) die ieder weer op te delen zijn in drie varianten voor wat betreft de inrichting. Voor sommige soorten is het aqua-terrarium (AT) te vermijden en is zowel een aquarium als een terrarium te gebruiken. Dit is aangegeven als A-T. In het terrarium moet altijd een vochtige plek (kan in de vorm van een waterbakje) aanwezig zijn.

In een aquarium moet altijd een mogelijkheid aanwezig zijn om het water te verlaten. De bovenkant van de bak moet tegen ontsnappen gewapend zijn, bijv. door deze van horizontale glasstrips te voorzien (dieren klimmen tegen glas op) of door een frame met gaas. Een van de allerbelangrijkste beginnersfouten is de ontsnappingskansen van salamanders te onderschatten.

De kleinste kiertjes worden benut!

Een te vochtige bak met slechte ventilatie (te weinig verse lucht of tocht) is ook dodelijk.

Hygiëne is erg belangrijk. Bij de inrichting dient ermee rekening te worden gehouden dat deze eenvoudig te reinigen moet zijn. Bij landsalamanders moet bijvoorbeeld gemiddeld eens in de paar maanden de bodemgrond van het terrarium worden vervangen. Het waterbakje moet regelmatig verschoond worden.

Een terrarium moet men inrichten met een bodem van een vocht vasthoudend medium, zoals turfmolm met bosgrond of een klei- of lösslaag (eventueel daaronder een grindlaag voor drainage) waarop stukken (kurk)schors, dakpan e.d. als schuilplaatsen aanwezig zijn. Ook het aanbrengen van dergelijke schuilplaatsen in de bodem is erg goed voor de dieren. Een bodembedekking in een aquarium is niet noodzakelijk. De pH van zowel het water als van de landbodem dient gemiddeld rond de 6,5–7,5 te liggen.

A1 vijverbiotoop; een aquarium dat ingericht is met hoog water (minimaal 20 cm) en verder met schuilplaatsen (stenen en kienhout) en waterplanten. Een grote pomp houdt het water in beweging en zuivert het water. Inrichten met kale bodem of fijn grind dan wel grof zand.

A2 bergmeerbiotoop; dit aquarium is ingericht met stenen, grind en weinig planten. Ook hier is een pomp aangesloten die vooral dient om het water te zuiveren.

A3 meerbiotoop; een aquarium dat grote holen als schuilplaatsen bevat. Ingericht met stevige boomstronken, grote stenen etc. Planten kunnen beter afwezig blijven evenals een bodemgrond. Ook hier een pomp om het water te zuiveren.

AT1 vijver- en landbiotoop; een gescheiden land- en watergedeelte (door bijvoorbeeld een glasplaat; wel waterdicht!). Het watergedeelte is hoog en het landgedeelte heeft zowel vochtige als kurkdroge plaatsen. Het watergedeelte van het aqua-terrarium inrichten met kale bodem of fijn grind dan wel grof zand, en flink beplanten met waterplanten. De bodem van het terrariumgedeelte kan bestaan uit zand, klei of een leemlaag, met varentjes en schuilplaatsen (schors, stenen).

AT2 oeverbiotoop; water- en landgedeelte zijn ook hier gescheiden, maar het watergedeelte is maximaal 10 cm hoog. Eventueel kan er een klein pompje op het water aangesloten zijn. Het watergedeelte heeft een kale bodem met stenen, het landgedeelte een van bosgrond of turfmolm, met schuilplaatsen, zowel vochtige als kurkdroge.

AT3 beekbiotoop; water- en landgedeelte is niet meer strikt gescheiden. Door middel van gestapelde stenen of hout of kurk wordt een landgedeelte gecreëerd, waarop eventueel mossen, varens en klimop groeien. Door middel van een pomp wordt stromend water gesimuleerd.

T1 zacht land- en loofbiotoop; landterrarium dat een gematigd loofbos simuleert. Bodem van beuken- en/of eikenblad of turfmolm. Schuilplaatsen zijn aanwezig door stukken schors of stenen of hout zowel op als in de bodem. Een gedeelte is vochtig, een ander droog. Een klein ondiep waterbakje is aanwezig. Beplanting kan geschieden met klimop, mos, varens e.d.

T2 hard land- en loofbiotoop; landterrarium dat een gematigd loofbos simuleert. Bodem van lemige klei. Schuilplaatsen zijn aanwezig door stukken schors of stenen of hout zowel op als in de bodem. Een gedeelte is vochtig, een ander droog. Een klein ondiep waterbakje is aanwezig. Beplanting kan geschieden met klimop, mos, varens e.d.

T3 subtropisch biotoop; bodem van turfmolm of turfplaten, wanden bedekt met tropisch wortelhout of platen varenwortel. Planten, zoals bromelia's, orchideeën e.d. kunnen de inrichting voltooien.

T4 steen- of grottenbiotoop; nabootsing van grot of rotsen door middel van gestapelde stenen die schuilplaatsen bieden op een klei- of leembodem. Hoge luchtvochtigheid maar tegelijkertijd goede ventilatie is essentieel.

A-T Voor sommige soorten is het gunstiger om in plaats van een aqua-terrarium de dieren voor de voortplanting te verplaatsen naar een aquarium en gedurende de zomer en/of winter een terrarium te gebruiken.

Gedrag (G), waaronder agressie (!)

Over het gedrag is slechts weinig bekend. Sommige soorten zijn agressief, wat voor het houden relevant is. Dit is aangegeven met een uitroepteken !. Dan kunnen mannen beter solitair worden gehouden en bij voorkeur vrouwen ook, alhoewel die vaak minder agressief zijn ten opzichte van elkaar. Gedurende de voortplantingsperiode is het sterk af te raden dieren van hetzelfde geslacht bij elkaar te zetten. Voor de rest zijn er natuurlijk verschillen in voortplantingsgedrag. Hier erop in te gaan zou te ver voeren.

In het algemeen is het samenhouden van verschillende soorten bij elkaar af te raden (of dat nu gaat om salamanders onderling of met andere diersoorten maakt niet uit) indien kweken als doelgesteld is.

(Voortplantings)gedrag: in gevangenschap gekweekt (+)

Indien bekend is dat er soorten uit de genera in gevangenschap zijn nagekweekt is dat aangegeven met een + in de kolom Gedrag. Kweken met soorten is echter vooral afhankelijk van de tijd en moeite die een verzorger steekt in het optimaliseren van de condities waaronder voortplanting kan plaatsvinden, maar ook de beschikbaarheid van dieren is van groot belang.Sommige soorten zijn nog nauwelijks geïmporteerd, en dus zijn er nog nauwelijks ervaringen mee.

Voedsel (V)

Ook voedsel wordt ingedeeld in een aantal groepen. Van veel soorten is echter weinig tot niets bekend over voedselvoorkeur. Algemeen geldt dat de grootte van het individu ook de grootte van het voedsel bepaalt. Over het eten van niet-levend voer is nog weinig bekend. Gemiddeld wordt 1 á 2 maal in de week gevoerd. Bepoedering met kalk- en vitaminepreparaten van de voedseldieren is noodzakelijk bij de opkweek van jonge dieren en bij voedering met in de handel verkregen gekweekte voedseldieren.

V0 allerlei soorten levende en dode voedseldieren: wormen, naaktslakken, pissebedden,spinnen (geen web-makende), insecten en hun larven (krekels, vliegen, fruitvliegen, motten,meelwormen, maden).

Indien op het land gevoerd altijd levend, in het water wordt soms ook wel dood voer geaccepteerd (kleine stukjes runderhart, kippenvlees, ingevroren rode muggenlarven of Mysis of Artemia, garnalen, stukjes vis e.d.).

V1 allerlei soorten levende voedseldieren: wormen, naaktslakken, pissebedden, spinnen (geen web-makende), insecten en hun larven (krekels, vliegen, fruitvliegen, motten, meelwormen, maden, e.d.).

V2 alleen kleine snelle prooidieren: jonge krekels, fruitvliegen, vliegen, buffalowormen etc.

V3 grote prooien, levend en dood: vis of vlees (runderhart, kippenvlees, milt, lever), maar vaak ook kreeftachtigen, weekdieren, muizen, amfibieën, reptielen etc. (alles wat in de bek past).

 

Vervoer

Over het algemeen kunnen salamanders het beste vervoerd worden in een plastic bakje (bijvoorbeeld vershoudbakje), dat goed afgesloten is en voorzien is van goede ventilatie (gaten of gaas). Met behulp van mos of vochtig tissue of vochtig schuimrubber blijft de lucht vochtig. Bij voorkeur de dieren individueel verpakken, want gifafscheiding door stress kan andere aanwezige dieren doden. Voor één salamander is een ruimte nodig die de lengte heeft van het lichaam en een breedte van ongeveer de helft van de lichaamslengte. Houd de temperatuur bij het vervoeren rond de 10-15oC, door de plastic doosjes te vervoeren in een tempexdoos of koelbox. Het vervoer van (tijdelijk) in het water verblijvende dieren kan ook zo plaats vinden. De dieren die kieuwen hebben (neotene dieren en larven) kunnen het beste in een dun laagje water worden vervoerd in een met lucht gevulde plastic zak of in een plastic bakje.

Literatuur

De literatuurlijst bevat slechts een kleine greep uit het bestaande aanbod, veel informatie is namelijk verspreid aanwezig (weinig boeken, veel artikelen). Het omvat vooral hier gebruikte en door ons aanbevolen literatuur.

ARBEITSGRUPPE URODELA, 1999. Allgemeine Haltungsrichtlinien für Molche und Salamander. DGHT, Rheinbach.

BOGAERTS, S., 1996. Salamanders. Lacerta 55: 9-13.

COBORN, J., 1993. Salamanders and newts as a hobby. T.F.H. Publications Inc., Neptune.

DUELLMAN, W.E. & L. TRUEB, 1986. Biology of amphibians. New York / St. Louis / San Francisco: McGraw-Hill Book Company: 494-508.GRIFFITHS, R.A., 1995. Newts and salamanders of Europe. T & AD Poyser Natural History, London.

GROßE, W.R., 1994. Molche und Salamander. Urania Ratgeber Terrarium, Urania Verlag, Leipzig-Jena-Berlin.

HERRMANN, H.J., 1994. Amphibien im Aquarium. Ulmer, Stuttgart.

LEEUWEN, F. VAN & F. ZUURMOND, 1982. Salamanders. Lacerta 40: 212-217.

MURPHEY, J.B., K. ADLER & J.T. COLLINS (eds.), 1994. Captive management and conservation of amphibians and reptiles. SSAR, Oxford (Ohio).

OBST, F.J., K. RICHTER & U. JACOB, 1984. Lexikon der Terraristik und Herpetologie. Landbuch- Verlag, Hannover.

RIMPP, K., 1985. Salamander und Molche: Schwanzlurche im Terrarium (2., verb. Aufl.). Eugen Ulmer, Stuttgart.

STANISZEWSKI, M., 1995. Amphibians in captivity. T.F.H., Neptune.

THORN, R., 1968. Les salamandres d'Europe, d'Asie et d'Afrique du Nord. Lechevalier, Paris.

ZAREMBA, R., 1991. Wat zijn salamanders? Lacerta 49: 114-117.

 

 

Last Updated on Thursday, 12 February 2009 20:58  

Inloggen & Registreren

Wie is online?

We have 101 guests online

Polls

wat vinden jullie van de nieuwe site?